Vanaf het midden van de zestiende eeuw komt er wat meer kleur in het aardewerk dat gevonden wordt. Voorwerpen van majolica en faience, voornamelijk borden, worden ingevoerd vanuit Italië, Spanje, Portugal en later ook Vlaanderen. Deze zijn bedekt met een glasachtige, ondoorzichtige witte laag waarin, naast lood, ook tin aanwezig is.
De techniek is afkomstig uit het Middellandse-Zeegebied. Rond 1500 vestigen de eerste Italiaanse keramisten zich in Vlaanderen, met name in Antwerpen. Hun producten vinden daar gretig aftrek en Vlaamse plateelbakkers gaan hun producten dan ook imiteren. In het laatste kwart van de zestiende eeuw verlaten veel Vlamingen, onder wie ook vele plateelbakkers, hun land als gevolg van de geloofsvervolgingen aldaar en de achteruitgang van de economie in Zuid-Nederland. Zij vestigen zich onder andere in Delft.
Er zijn plateelbakkerijen gevestigd aan onder andere de Geer, het Rietveld, de Molslaan, Gasthuislaan, Nieuwe Langendijk, Achterom, Oosteinde, en de Koornmarkt. Delft wordt gaandeweg, vooral in de tweede helft van de zeventiende en het begin van de achttiende eeuw in de Lage Landen het grootste productiecentrum van tinglazuuraardewerk. Ook in onder andere Amsterdam, Rotterdam, Gouda, Haarlem en Makkum is tinglazuuraardewerk gemaakt.
De voordelen van borden van aardewerk boven die van tin (die moeilijk schoon te houden zijn) en hout (die niet echt decoratief zijn en bovendien smaken opnemen) zijn groot. Andere benamingen voor tinglazuuraardewerk zijn: "Delfts aardewerk", "geleyersgoed" en "plateel". Ongeglazuurde voorwerpen, die overigens door erg arme huishoudens gewoon werden gebruikt, worden "biscuit"genoemd.
Eenvoudige vormen worden op de draaischijf gemaakt, de overige vormen worden in mallen vervaardigd. De decoraties kunnen in Italiaanse stijl (aigrette randen, putti, blauwe fonds, a-foglie-motieven), Chinese stijl (kraakmotieven, Boeddhistische tekens, Chinese landschappen) en Hollandse stijl (Hollandse landschappen, stillevens, Bijbelse voorstellingen, spreuken, wapens) zijn.
Het afval dat door de plateelbakkers wordt geproduceerd (mislukte exemplaren, biscuit, ovenkokers, proenen, bakpennen etc.) wordt bij opgravingen in de Delftse binnenstad zeer regelmatig aangetroffen, daar het vaak als ophogingsmateriaal is gebruikt.













