Er bestaat een grote discrepantie tussen het Europese porselein uit museumcollecties en dat wat in de bodem wordt gevonden. Het bodemarchief levert voornamelijk koppen, schotels en een enkel bord op, oftewel het dagelijkse gebruiksgoed. Tussen 1725 en 1850 is het porselein zeer kostbaar; alleen eenvoudige vormen zijn voor een groter publiek betaalbaar. Het Chinese procédé om porselein te vervaardigen is door de Aziaten lang geheim gehouden. In de diverse Europese keramiekcentra, waaronder Delft, worden verscheidene tevergeefse pogingen ondernomen om porselein te maken. De doorbraak vindt plaats in Dresden, ver van alle pottenbakkerscentra gelegen. Het lukt Johann Friedrich Böttger rond 1710 om het eerste in Europa (en wel in Meissen) vervaardigde porselein op de markt te brengen. Het is gedecoreerd met motieven in blauw, onder een laag veldspaatglazuur.
Zwiebelmuster
De meest geliefde decoratie is het Zwiebelmuster-motief, dat na 1730 in Meissen veelvuldig wordt toegepast. Ook worden er soms gouden filetten aangebracht (bovenop de glazuur) en, vanaf het einde van de achttiende eeuw, decoraties in de vorm van drukdecors en plakplaatjes. De vormen worden geperst in mallen of gegoten in gipsen vormen. Additieven worden apart gemaakt en later bevestigd. Het verschil met industrieel wit aardewerk is soms moeilijk te zien; het aardewerkbaksel is zachter en minder wit van kleur. Tussen 1710 en 1800 evolueert de productie van een experimentele fase naar een gestroomlijnde industrie.













